Beknopte historiek van het gemeentehuis

Bijdrage van Hugo Notteboom

Uit : 100 jaar Adegem, Maldegem, Middelburg - Een uitgave van de Heemkundige Kring Het Ambacht Maldegem 1986.
Artikel hier gepubliceerd met toestemming van de auteur.


Het Adegemse gemeentehuis

In 1860 krijgt het Adegemse gemeentebestuur het bericht dat de gemeente in aanmerking komt voor het ontvangen van een "hulpgeld" uit een fonds "geopend voor het opbouwen en de meubilering van schoolgebouwen".

Uit een verslag dd. april 1861 bleek dat "Le bâtiment d'école est trop petit et en très mauvais état" en dat een volledig nieuwe school dringend diende opgetrokken te worden. Het gemeentebestuur besloot in mei 1861 niet alleen over te gaan tot het bouwen van een nieuwe school, maar tegelijkertijd ook een schoolhuis en een gemeentehuis te bouwen.

De Franse bezetters hadden Adegem destijds wel "onafhankelijk" gemaakt, maar voor de rest moest de gemeenteraad er maar voor zorgen dat het gemeentelijke leven vlot en rimpelloos verliep. De nood aan een lokaal waar de vergaderingen van de gemeenteraad konden gehouden worden en waar de geheimhouding verzekerd zou zijn, drong zich op.

De Adegemse gemeenteraadsleden huurden, zoals vele kleinere gemeenten, een kamer in een of andere plaatselijke herberg. Tot 1814 is dat een kamer in de herberg bewoond door Cornelius De Vlieger.

Van 1819 tot 1837 huurde men de noord kamer van de herberg van Jacobus Franciscus Willems. Deze laatste was nog een tijdje veldwachter van Adegem geweest, maar werd ontslagen omwille van het feit dat hij nogal graag een glaasje dronk. In 1829 ontving Willems een vergoeding van 51 gulden voor de huur van een kamer en een lokaal voor de archieven. De herberg was tezelfdertijd de verzamelplaats voor het 's nachts patrouillerende "corps de garde".

In 1860 vergaderde de gemeenteraad in de herberg van "sieur" S. Van de Velde. Hij ontving er 32 fr. voor.

Al dat vergaderen in herbergen was niet bevorderlijk voor de werking van de gemeentelijke administratie. Burgemeester De Weert meende gebruik te moeten maken van de geboden kans. Het verwerven van de nodige grond in het dorpscentrum gebeurde met de nodige omzichtigheid, want niet minder dan drie eigenaars waren erbij betrokken: Cesar Van de Velde, gezondheidsbeambte, de kinderen De Prest, klompenmakers, en tenslotte het Bureel van Weldadigheid.

Ondertussen echter liep het proces tegen de Burgerlijke Godshuizen van Brugge. Burgemeester De Weert had gehoord dat Adegem, bij een eventuele overwinning, de beschikking zou krijgen over een niet onaardige som geld, zodat hij de bedenking opperde of het niet beter zou zijn de hele zaak vooralsnog te verdagen en de uitspraak van het proces af te wachten. Er zou dan niet alleen een school worden gebouwd, maar ook een hospice.

De arrondissementscommissaris was nogal verwonderd over het schrijven van De Weert. Alhoewel hij beweerde "la réalisation du projet qui nous tient fort cœur" met hand en tand te verdedigen, leek het de commissaris toch maar vreemd dat "les négociations ont été provisoirement abandonnés". De commissaris had ook inlichtingen genomen over dat fameuze proces en naar hij had vernomen was er van enige geldverdeling vooralsnog geen sprake. Hij meende dan ook dat het wachten op een geldsom van Brugge onrealistisch was en gaf De Weert de raad "de ne pas retarder indéfinitivement la réalisation de construction du bâtiment d'école".

Na deze veeg uit de pan liet De Weert er geen gras meer over groeien: in augustus 1862 werden de nodige eigendommen aangekocht en vertrokken er brieven naar allerlei instanties met "smeekbeden" om toelagen te verkrijgen. In een brief aan een minister schrijft De Weert dat men met de bouw van een gemeentehuis ook wel de verfraaiing van de dorpskom op het oog heeft, "de gezondmaking" ervan bleek toch primordiaal.

Op de aangekochte percelen bevonden zich "twee afzigtelijke gebouwen waeronder een zeer laag huisje waer al het water te zamen vloeit dat op het dorp valt en alzoo bij tijden een stinkende poel vormt, een verkenskot met gemakhuis die opgerigt zijn tegen den openbaren weg te midden van het dorp". Dit alles vormde volgens het schrijven een openbaar gevaar voor de gezondheid!

In de jaren 1862 en 1863 werd onderhandeld, gecijferd, getekend en gemeten. Eén enkele zaak kwam echter maar moeilijk in orde, namelijk het verzamelen van de nodige fondsen. Adegem bleek net overal iets te laat aan te kloppen. Gelukkig bestonden er toen ook al de klassieke achterpoortjes! Zo deed inspecteur Kervijn zijn best in Brussel om van de minister toch een en ander te kunnen bekomen. Het lukte nog ook. Had burgemeester De Weert dan ook niet geschreven dat de gemeente Adegem "a montrée qu'elle est résolument entrée dans la voie du progrès"? En had Adegem sedert 1858 niet getoond zeer spaarzaam te kunnen omspringen met het geld van de belastingbetaler? En was het niet allerbedroevendst te moeten constateren dat "à peine le tiers des miliciens de cette commune" noch lezen noch schrijven kon? Kortom het gemeentehuis met bijhorende school diende er kost wat wil te komen.

Op maandag 28 december 1863 was het dan zover: om half twee in de namiddag had de openbare aanbesteding plaats en het was de Gentse aannemer Beert-Campens die voor de eerder geringe som van 17974 fr. het werk in de wacht sleepte. Luttele tijd nadien (in 1864) kon het gebouw in gebruik worden genomen: de gemeentelijke administratie beschikte over het secretariaat, een raadszaal en een onooglijk kamertje om de archieven in op te bergen. De rest van het gebouw was voorbehouden voor de onderwijzer.

Achtereenvolgens waren dat Edmond Van Cauwenberghe, Kamiel Verstraete en Gustaaf Boute. In de loop van de jaren had de gemeentelijke administratie zich dermate uitgebreid dat stilaan het gehele gebouw door de gemeentelijke diensten werd ingenomen. In 1964 werd één van de vroegere klaslokalen bij de raadszaal gevoegd.

Architectonisch is het gebouw van matige betekenis. De waarde van het gemeentehuis ligt op het historische vlak: ruim 110 jaar was het gebouw de "thuis" voor alle Adegemnaren. Ze konden er hun moeilijkheden kwijt en kregen er de nodige inlichtingen en goede raad, zodat ze zich, zonder al te veel tegenslagen, doorheen de administratieve molen konden werken.

Adegem - Gemeentehuis

Meer dan een eeuw lang was het Adegemse gemeentehuis een thuis voor alle Adegemnaren. Letterlijk en figuurlijk stond het gebouw tot 31 december 1976 in het centrum van Adegem. Vlak vòòr het gemeentehuis zien we de herberg met dezelfde naam.

Herberg "Het Gemeentehuis" werd eerst uitgebaat door de familie De Prest en na de Eerste Wereldoorlog kwam de familie De Laere er wonen. Niet alleen waren het herbergiers, maar ook klompenmakers: hun mechanische klompenmakerij - de eerste en enige in Adegem - was wijd en zijd bekend. Vòòr het gemeentehuis gebouwd werd, noemde men deze herberg "Den Hertog van Croy" : deze naam wees op een van de vroegere heren van het Ambacht Maldegem, waarvan Adegem ook deel uitmaakte.

Juist voor deze herberg treffen we de slagerij van Louis Boels aan, ook herberg en lokaal van de Adegemse muziekvereniging. Louis was de zoon van de bekende Felix Boels. De herberg werd in de 19de eeuw wel eens "In den Vlaamschen Leeuw" genoemd. Hier werd op 18 november 1905 door Bernard Verstrynge, voorzitter van "De Verenigde Vrienden" de eerste steen gelegd van de "zaal Boels". Jaarlijks gaf de toneelgroep "Wij Willen" er geslaagde muziekuitvoeringen en voorstellingen.

Zoals op vele Adegemse prentkaarten van het centrum ontbreekt ook hier de kar niet. Vermelden we nog dat het pas in 1874 was dat het centrum van Adegem werd bestraat met kasseien die voortkwamen van "den grooten steenweg". Toen werd ook de "uitwatering" van het centrum naar de beek aangepakt.

Nog dit: voorbij het gemeentehuis zien we de meisjesschool, in 1880 in gebruik genomen, en in 1931 verkocht aan de familie Tuypens voor de som van 75.300 frank.

 
De herberg 'In den Hert' De herberg "In den Hert" was het laatste café overigens van een hele reeks waarin de gemeentelijke administratie was ondergebracht. In 1865 woonde hier Felix Boels die later naar "Het Damberd" verhuisde. In 1883 treffen we er de weduwe Danckaert aan en in 1893 komt August Himschoot er wonen. De familie Himschoot verbleef er tot in de jaren zestig. In dit huis werd steeds, en dit tot op de dag van vandaag, handel gedreven. Kort voor de Tweede Wereldoorlog werd het oude pand met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor een meer "moderne" woning. Het klooster ernaast, opgetrokken in 1891, dank zij een gift aan de Zusters vanwege de Brugse juffrouw Clemence De Meulemeester, werd in 1980 door de Zusters voorgoed verlaten.
Het werd gemeentelijk bezit en bewijst thans nuttige diensten aan de Plaatselijke Openbare Bibliotheek en de afdeling van de Tekenacademie.

Het Klooster

Home Home   |  Geschiedenis Pagina geschiedenis