HET GEMEENTEHUIS

Bijdrage van Pieter Van Cleemput

Uit: Omtrent Adegem - Catalogus uitgegeven ter gelegenheid van de historische tentoonstelling van 7 tot 11 juli 1978 door het Davidsfonds Adegem. Pagina's 23 tot en met 28. - Artikel hier gepubliceerd met toestemming van Oswald Van Cleemput, zoon van de auteur.


Gemeentehuis van Adegem
Vanuit dit statige Gemeentehuis werd Adegem tot 31 december 1976 bestuurd.
Het werd opgericht door burgemeester Desiré De Weert.

De eerste bedoeling en zorg van de gemeentelijke overheid in 1862 was het bouwen van drie nieuwe schoollokalen met een daaraan verbonden schoolhuis voor het schoolhoofd.

De gedachte rijpte stilaan om ook in datzelfde gebouw de "secretarie" onder te brengen. Want, sinds de Franse Omwenteling was de gemeente Adegem voor het rechterlijke en burgerlijk bestuur los van het Ambacht Maldegem. De gemeente bleef echter een "voet in huis" hebben in het toenmalige gemeentehuis te Maldegem. Zij bezat er een derde deel in. De gemeente Maldegem betaalde 165,75 fr pacht aan het gemeentebestuur te Adegem, boven de lasten. In de onderhoudskosten van het gemeentehuis "tot Maldeghem" moest Adegem regelmatig bijdragen. Dit bedrag schommelde jaarlijks rond de 40 fr tot 80 fr.

Op 27 september 1832 doet Maldegem een eerste aanzoek om dat derde deel uit te keren. Het eerste voorstel over de waarde wordt niet aanvaard. Men onderhandelde verder en de overeenkomst werd afgesloten, zodat de gemeente van dan af geen enkel recht meer bezat om gemeentelijke ambtsbezigheden te verrichten in het gemeentehuis te Maldegem.

Deze transactie is mogelijks een gevolg van een door de hogere overheid rondgestuurde circulaire in 1829 (Hollands tijdperk) betreffende het onderwerp tot samenstelling van gemeenten. De vraag door de hogere overheid gesteld behelsde de samenvoeging van de gemeente Adegem en Sint-Laureins met Maldegem.

De Adegemse gemeenteraad besliste toen in zitting van 6 februari 1829 éénparig dit voorstel te verwerpen, omdat de gemeente toen reeds 3.468 inwoners telde, dat de bevolkingsaangroei voortdurend steeg, en dat ze bekwaam waren autonoom te besturen.Daarom rukte Adegem zich volledig los van Maldegem. Er mochten door het Adegems bestuur geen vergaderingen, noch zittingen meer gehouden worden te Maldegem. De overheid moest zijn toevlucht nemen tot het huren van een "raadkamer".

Deze is op verschillende plaatsen geweest. Vermoedelijk was de raadkamer veelal in de woning van de burgemeester. Zo vernamen we dat er nog een raadkamer is geweest in het Broekelken (woning van Jules De Schepper). Van de volgende "secretarie" vonden we een degelijke beschrijving (onder het burgermeesterschap van Jean Vermeersch afkomstig uit Maldegem):

"Gepubliceert het nevenstaande arrêté op zondag 22 augusti 1818, na de hoogmesse, tusschen 11 en 12 ure in de voormiddag, binnen de commune van Adeghem: Den Burgemeester der Commune van Adeghem, overwegend dat verscheyde acten van administratie vereyschen ene publiciteyt en het locael alwaer dezelve behooren te worden uitgeoeffend door de gemeente gekent zij.

In aendagt nemende dat deeze commune tot alsnu is onvoorzien van een communaal huys; dat onze précedeurs daar voren hebben gehouden verscheyde locaelen zonder dat te dien pointe eenige blijken existeren van deszelfs wezentlijkheid ; dat het tevens nasoir is dat alle publicatiën worden gedaen en geaffixeert aan het huys bewoont door Jacobus Willems, herbergier binnen deeze commune;

Besluit:
Eersten artikel: Het huys van het gemeente zal provisoirlijk en tot alderstond de volkomen organisatie van het bestier gehouden worden in de noordkamer van het huys bewoont door Jacobus Francies Willems in het dorp deezer commune alwaer alle pubique acten raekende de administratie en den civiel en staet zullen worden uitgeoeffent.
Tweeden artikel: Het tegenwoordig Besluyt zal aen het gemeente worden bekent gemaekt bij gewonelijke publicatie.
Gedaen in ons cabinet tot Adeghem den 22 augusti 1818.
Get. J. Vermeersch.

In de bevolkingsregisters van toen vonden wij dat Jacobus Francies Willems gehuwd was met Johanna Potvliege. Hij had twee dochters. Zijn huisnummer was 557 in de sectie H. (De huizen waren toen niet genummerd zoals nu). De zetel voor alle administratieve gemeentelijke aangelegenheden bleef daar gevestigd tot in 1837. In de volksmond noemde die plaats het "wethuis". Ondertussen was herbergier Willems Jacobus overleden en de herberg werd verder uitgebaat door de weduwe en haar twee dochters. Doch, op 12 mei 1837 verkoopt ze heimelijk haar herberg aan Carolus van der Heyden, tapper te Waarschoot. Meteen zat de raad weer op straat.


Vooraan rechts bemerkt men de herberg "In den Hert".
Deze herberg deed een hele tijd dienst als gemeentehuis.

Er wordt onmiddellijk vergaderd en beraadslaagd, nadat er links en rechts naar een geschikte plaats was gezocht. Met eenparig besluit werd beslist alle gemeentearchieven over te brengen naar de herberg: Den Hert, zegge Sint-Hubert, bewoond door Francies Van den Genachte. Het is die woning die later bewoond werd door de familie Himschoot. Nu woont daar Lucien De Lobel-Stul. Het schijnt daar goed te gaan en de zorgen zijn verdwenen voor de gemeenteoverheid. Van verhuizen is voorlopig geen sprake meer tot in het jaar 1862.

In die tijd was het burgemeesterschap toevertrouwd aan Johannes-Martinus De Weert, geboren te Adegem op 7 dec. 1785 en er overleden als burgemeester op 11 mei 1860. Hij werd in zijn functie opgevolgd door Desiré De Weert. Deze burgemeester was een zeer dynamisch en ondernemend man. Hij heeft inzake gemeentebeleid zijn sporen nagelaten.

Een van zijn eerste bekommeringen was de zorg om het onderwijs op de gemeente. Hij besefte ten gronde dat degelijk onderwijs in behoorlijke lokalen de meeste garantie bood om het Adegemse volk op een hoger peil van vorming en welvaart te brengen. Amper één jaar na zijn aanstelling vinden we reeds een gemeenteraadszitting (29 mei 1861) waarin het oprichten van een nieuwe school met onderwijzerswoning en een secretarie in het vooruitzicht wordt gesteld. Er bestond een volksschool op de noordwestzijde van het huidig rustoord (volgens het plan Popp). Van dat vroeger schoolgebouw zijn momenteel geen sporen meer te zien.

Burgemeester De Weert voelde aan dat langs de weg van een nieuwe school er de meeste kans in zat om bij de hogere overheid toelagen te kunnen bekomen, en zo tezelfdertijd ook een "thuis" te hebben voor de gemeentelijke administratie want de woning voor het schoolhoofd en de secretarie gingen onder één dak komen.

Hij onderhandelde met Jan-Franciscus De Prest en zusters (Seraphina en Maria-Theresia), en ook met Cesar Van de Velde (heelmeester) voor de aankoop van grond, gunstig gelegen in het centrum van het dorp. Om de machtiging tot aankoop van deze gronden te bekomen bij de hogere Overheid werd een schrijven tot de toenmalige Minister gericht waarin als bijzondere motieven tot aankoop het volgende naar voren werd gebracht:

"Overwegend dat de voorgestelde plaats voor het oprichten van schoolgebouwen zeer geschikt is, en aan alle vereisten van goede gelegenheid en gezonde ligging voldoet;
Overwegend dat het verwezenlijken van deze noodzakelijkheid de afbraak zal noodzakelijk maken van twee "afzigtelijke" gebouwen, waaronder een zeer laag huisje waar al het te samen vloeit dat op het dorp valt en alzo "bij tijden enen stinkenden poel vormt", en een "verkenskot met gemakhuis, die opgericht zijn tegen den openbaren weg te midden van het Dorp, en voor gevolg zal hebben het supprimeren van enen vuilnisgracht die bestaat tusschen de eigendommen De Prest en Van de Velde. Daarom............... enz."

Er komt gunstig advies en de aankoop van de grond, bestemd voor de drie schoollokalen en het woonhuis, wordt door het ambt van Notaris Wallyn te Maldegem afgesloten. De familie De Prest verkoopt 8a 50ca (Sectie H. Nrs. 71-72 en 74) voor de som van 2.500 F. Aan Van de Velde Cesar wordt 2a 50ca (nr 73) gekocht voor 600 F.

Bij Koninklijk Besluit van 5 oktober 1862 wordt machtiging verleend tot het oprichten van drie nieuwe klaslokalen met ambtswoning en secretarie. De subsidie wordt beloofd... Deze toelage komt echter op de lange baan terecht en de gemeentelijke overheid wacht.

In zitting van 8 april 1863 besluit de raad aan te dringen en één der voornaamste reden wordt als volgt gemotiveerd:

"De school is in zulke erbarmelijke toestand dat de zoldering is moeten met balken onderschraagd worden om mogelijke ongelukken te vermijden, of te voorkomen. De school is nauwelijks groot genoeg, om volgens de verordende schikkingen 50 leerlingen te plaatsen, en daar er tegenwoordig 120 en des winters zelfs 170 leerlingen naar de school komen, moeten zij opeengeperst zitten.

Overtuigd dat de voortduring van deze "beweenlijke" toestand gestadige gevaren oplevert voor het leven en gezondheid van de kinderen, die ten getale van 120 naar de school komen, in een plaats van 63 meters oppervlakte en 184 kubieke meters lucht".

De raad wendt zich tevens tot de Heren Voorzitter en leden van de Bestendige Deputatie om voormelde staat van zaken "bloot te leggen", en eerbiediglijk, maar krachtdadig aan te dringen om zodra mogelijk het ontworpen werk te subsidiëren.

Burgemeester De Weert geeft niet op. Met de middelen te zijner beschikking laat hij de zaak niet meer los. Begin 1864 werd er gestart met de bouw van een nieuwe ambtswoning waarin ook een raadzaal en het secretariaat was voorzien. Aannemer Beert-Campens was de laagste aanbieder en voor de som van 17.974 fr werden drie schoollokalen en een ambtswoning voor het schoolhoofd gebouwd.

Tot surveillant van de bouwwerken werd van gemeentelijke zijde benoemd: Sieur Eduard De Pré, timmerman te Adegem, die bij de stemming 9 stemmen bekwam tegenover Francis De Smidt één stem. Hij ontving hiervoor 2 fr per dag, mits een volle dag aanwezig te zijn op het werk, om zijn toezicht naar behoren te kunnen doen.

De ingemetselde arduinen blok in de zuidmuur nabij de zijingang van het gemeentehuis vermeldt de namen van het schepencollege, de architect en de aannemer. We lezen: 1864 Desiré De Weert, Burgemeester, G. Herrebaut en P. De Reu, schepenen, L. De Weert, secretaris, Th. Bureau, bouwmeester, C. Beert-Campens Ondernemer.

Architecturaal is het gebouw niets bijzonders, doch we moeten dat ook historisch bekijken: de gemeentekas was destijds niet zoals het tegenwoordig gaat. De toelagen waren vroeger maar povertjes en men moest "zaaien naar de zak".

Mr. Stoens is het eerste schoolhoofd geweest met een ambtswoning, nadien was het Mr. Van Cauwenberghe, en na hem werd het schoolhuis het laatst bewoond door de Heer Gustaaf Boute. Meester De Baets, die schoolhoofd werd na Meester Boute, heeft niet meer in de ambtswoning als schoolhoofd gewoond.

Ondertussen nam de gemeentelijke administratie zo'n uitbreiding dat naast de aanvankelijke plaatsen: nl. de raadszaal en het klein aanpalend kamertje boven het secretariaat, de ganse vroegere woning van het schoolhoofd als gemeentehuis dienst heeft gedaan. In 1964, dus 100 jaar later na het bouwen, werd één van de drie klaslokalen ingelijfd bij het gemeentehuis en tot raadszaal ingericht. Thans bezit Adegem een der mooiste ontvangstzalen van gans het Meetjesland.

Op de voorgevel staat nog immer gegrift: "Gemeentehuis". Moge het nageslacht daar nog dikwijls aan denken, dat Adegem tot 31 december 1976 een huis had dat voor alle Adegemnaren hun gemeentehuis was.

Herdenkingsplaat aan het Adegemse gemeentehuis
 
Herdenkingsplaat van de oprichting van het gemeentehuis. We lezen:

1864
O. De Weert, burgemeester
G. Herrebaut
I. De Reu, schepenen
L. De Weert, sekretaris
Th. Bureau, bouwmeester
C. Beert-Campens, ondernemer

Home Home   |  Geschiedenis Pagina geschiedenis