Buitenpost, heen en terug

Het was afgesproken: indien je deze venijnige leukemie zou overwinnen zou je naar Friesland reizen; tonen dat je opnieuw het een en ander aankon. Na een jaar sukkelen was het zover. Vergeten waren alle narigheden die deze bedrieglijke ziekte met zich meebrengt. Je voelde je goed; voor het eerst sinds lange tijd zou je reizen; de reis Friesland heen en weer aanvatten.

Het begon aan het loket waar je weken op voorhand een treinbiljet kocht.
- Buitenpost? De vraag klonk alsof deze plek buiten de wereld lag.
- Ja, Buitenpost, in Friesland, voorbij Leeuwarden.
De loketbediende, een jong meisje, keek me ongelovig aan doch vond het gevraagde op haar computer. Buitenpost, jawel, de plek bestond. Beter gezegd: ze bestaat.
-Welke datum wil je reserveren?
-Graag dinsdag 5 oktober heen, en woensdag 6 oktober terug.

Er was een speciaal tarief, helemaal niet duur als je eerste klas wilt reizen. Je mocht niet vóór 9u 's morgens de trein nemen, doch dat was geen bezwaar. Om 10u vertrekken en rond 16u aankomen was precies hetgeen je zocht. De hele dag was er om het uur een trein met aansluitingen, en dit eveneens voor de terugreis. Je had het niet beter kunnen dromen.

Het retourbiljet werd meteen betaald en op zak gestoken. Drie weken later zou je je vrienden bezoeken. Drie dagen voor je vertrok haalde je het treinticket boven om het wat nader te bekijken, want dat had je niet gedaan toen je het in ontvangst nam. Er stond 5 oktober heen en 5 oktober terug. Een schromelijke vergissing.

Dan maar terug naar het station het ticket omwisselen. Het was niet dezelfde loketbediende. Ze ging ermee akkoord dat haar collega zich vergist had: naar Buitenpost dezelfde dag heen en terug; nee, dat kon niet mijn bedoeling geweest zijn. Ze gaf het geld terug van het op voorhand betaalde biljet, schreef een nieuw uit en verlangde 140 euro.

-Hoezo, het was 80 euro, waarom moet nu 60 euro méér betaald worden dan de vorige keer?
-Omdat mijn collega zich vergist heeft. En je moet ook nog 5 euro schadevergoeding betalen.

Voor die 5 euro kreeg je een afgestempeld bewijs, die som kon je terugvorderen nadat je de vergissing schriftelijk uitgelegd had. Hoeveel postzegels en telefoongesprekken zou dat later kosten? Het loonde niet te moeite er aan te beginnen.

De dag van de reis brak aan. Met pak en zak beladen werd je netjes aan het station in Brussel Noord afgeleverd. Mooi zo'n treinreis tijdens dewelke je de hele tijd door het venster kunt kijken; alles piekfijn observeren. Helemaal anders dan met de wagen rijden, veel minder vermoeiend. Antwerpen, Roosendael, Rotterdam Centraal: je was al halfweg. Je had een uurtje tussenstop, tijd om op een terras een koffie te drinken, gezeten in de najaarszon. Een stuk appeltaart met slagroom mocht natuurlijk niet ontbreken. Nog voor je het wist was je al opnieuw onderweg. Drie uren later stapte je uit de trein, je bevond je in Leeuwarden. Een half uur later was je in Buitenpost. Een paar seconden keek je om je heen: daar stond één van jouw meest dierbare vrienden: een gelukkige Atze van Wieren: dichter in hart en nieren.

Er waren nog andere vrienden aangereisd, uit Den Helder: Joop Leibbrand, eveneens dichter, en zijn vrouw Vera. Samen met Ineke, de vrouw van Atze, werd het een buitengewoon gezellig samenzijn, in een gastvrij huis dat een ziel bezit en waarin een hart klopt. Er werd verteld over mensen, boeken en dingen. Achteraf dacht je dat je het vooral over jezelf had gehad, wellicht werd je ertoe aangezet. Onvoorstelbaar hoe Ineke zich uitgesloofd had: er ontbrak niets. De fijnste gerechten kwamen op tafel, de beste wijnen werden gedronken, zilverwerk en kristal mochten niet ontbreken, ook de cognac niet: hoe vaak gebeurt het dat drie dichters zich treffen helemaal boven in het Noorden? Drie totaal verschillende mensen met één en hetzelfde levensdoel: dichten en schrijven, en de mensen verrijken met hun poëzie. Het nageslacht zal er een kluif aan hebben, zeker weten.

Het was laat toen Joop en Vera de terugreis aanvatten. Twee uur rijden met de wagen: ook geen peulschil. Jij ging naar bed toe. Je voelde je geborgen toen je jezelf toedekte met het lichte donsveren dekbed. Je viel meteen in slaap, niet zonder eerst nog een keertje aan thuis gedacht te hebben: aan Cacho, de liefhebbende echtgenoot, aan Poetchon, de tedere angorakater, aan Doedoe en Tchiqietien, de knuffelbeertjes. Bij het opstaan vond je de tafel mooi gedekt met heerlijke spijzen, teveel om op te noemen. Friezen weten hoé hun gasten te ontvangen, dat merk je meteen. Kwart voor elf was het vertrekuur van de trein.

Omdat Ineke al vroeg de wagen nodig had zou een buurvrouw je samen met Atze naar het station brengen. Je liep nog een keer de tuin in waar de heerlijke herfstlucht al goed waar te nemen was. Je nam er afscheid van een grote eik, de lievelingsboom van Atze, en van een vriendelijke rosse poes die je een paar keer streelde. Daarna ging het naar het station toe, veel tijd was er niet, ver was het ook niet. Opeens kreeg je het koud in de wagen. Je vergat je anorakvest. Vliegensvlug werd het kledingstuk afgehaald. Rechtstreeks op het perron kon je niet meer want de slagbomen waren al dicht, dan maar er doorheen gekropen zo goed en zo vlug het ging. Het lukte. Van de buurvrouw had je geen afscheid kunnen nemen, van Atze kon je het nog net op het nippertje. Buitenpost-Leeuwarden: een half uur later was je er. Vijf minuten daarna ging het richting Leeuwarden-Rotterdam Centraal.

Daar zou het gebeuren. Je dacht opnieuw een uur tijd te hebben. Je vroeg een reiziger het nummer van het perron voor de trein naar Brussel: -Spoor 1, zei de man. Voor alle zekerheid vroeg je het ook nog een stationsbediende. -Spoor 4, kreeg je als antwoord. Dan liever zelf gaan kijken terwijl je tijd zat had. Op spoor 4 stond Intercity aangeduid, niet dat er Brussel stond, wel Breda, en daar moest je langs als je met de wagen van Nederland kwam. Het zou dus wel in orde zijn. De trein kwam meteen aangerold nadat je eerst nog een meisje gevraagd had of de trein naar Brussel reed. Ze wist het ook niet. Dan maar ingestapt, je kon altijd nog in Breda uitstappen om het opnieuw te vragen. Heerlijk, je was een half uur vroeger kunnen vertrekken en je zou vroeg in de namiddag thuiskomen; veel vroeger dan gedacht.

De trein stopte in Breda. Weifelend bleef je zitten. Een poos later reed hij Tilburg voorbij. Dan begon het te dagen. Er was geen controleur te zien geweest, dan maar andere reizigers gaan lastig vallen, er zat niets anders op. Iedereen zat in zijn eigen compartiment want daarvoor dienen eerste klasse wagons. Er zat niets anders op dan aan te kloppen, vragen of de trein naar Brussel reed. Nee, hij reed naar Duitsland, de drie bevraagde vip's reden naar Venlo. Intussen naderden we Eindhoven. Daar stapte je uit. Je moest terug vanwaar je gekomen was. Voor de zoveelste keer trappen op- en trappen aflopen, beladen met pak en zak. In Eindhoven telde je de treden, 30 op en 30 af. Er zouden er nog heel wat te tellen vallen eer je uitgetreind was. In Breda moest je overstappen en de trein nemen naar Roosendael.

Je zat al lang niet meer in eerste klas, die kon je, moe als je was, gestolen worden. Je zat tussen een hoop staande en zittende vermoeide mensen die allemaal van hun werk schenen te komen. Er zaten ook studenten naast je. Je vroeg één van hen hoe het in Breda verder moest. -Je moet perron 6 verlaten de trappen af, dan links en dan de trappen op. Vijf minuten heb je.

De trein had een kwartier vertraging; tegenslag kwam er nog bovenop. -Er rijdt een boemeltrein voor de Intercity uit, we kunnen niet vlugger. Het slecht nieuws werd ons langs luidsprekers meegedeeld. Toch viel het nadien geweldig mee. De trein naar Roosendael had op onze Intercity staan wachten. Onzeker stond je op het perron. Dezelfde jongen die je ingelicht had kwam naar je toe. Hierlangs zei hij, naar beneden, om de hoek links gaat het naar boven. Hij vergezelde je tot op het ander perron. Er diende een uur gewacht eer je aansluiting had. Of je de jongen iets kon aanbieden? Een biertje misschien? Nee, bedankt, zijn wagen stond om de hoek, hij wou meteen naar huis. In de brasserie van het station dronk je rustig thee, je at een sandwich, en je schreef een gedicht over dat je eerder op de dag in de trein in het klad geschreven had. Eindelijk kwam de trein eraan: Roosendael-Brussel.

Toen je in de wagen zat waarmee je afgehaald werd, rekende je uit hoeveel traptreden je opgeklommen en afgedaald was met je bagage. Je vermenigvuldigde 5 x 30 x 2 en je kwam op 300. Je deed er 9 lange uren over om thuis te geraken. Je was op weg geweest met de Intercity naar Duitsland, misschien wel naar Rusland…, zou ook niet slecht geweest zijn. En maar kilometers gratis reizen in de verkeerde richting.

Heel veel liefs en dank, beste mensen, Buitenpost heeft mij verjongd en geregenereerd!

Iris Van de Casteele, 10 oktober 2004


MIJN DORP: 't JACHTVELD

Hoeveel inwoners mijn dorp indertijd telde, weet ik niet meer.
Misschien twintig, maar het kunnen er ook minder geweest zijn.
Ik was een kind en had geen interesse voor demografische kengetallen.
Mijn dorp was geen echt dorp. Als wij een brief kregen, stond er op als adres: 't Jachtveld, onder Surhuisterveen. Wij vielen ergens onder. Dat is nooit prettig.
Sommigen zeiden dat ik op een gehucht woonde. Dat deed zeer.
Wel hadden wij een café. Café 't Jachtveld. Het gebeurde regelmatig dat een bezoeker, 's avonds laat, totaal beschonken, met fiets en al bij ons in de beukenheg tuimelde en vervolgens, vloekend en tierend, lang bezig was daaruit weer op te staan. Ook kwam het voor dat zo'n gestrande dronkelap het benevelde hoofd in de takken ter ruste legde en in slaap viel. Dan moest mijn vader optreden.
Dat café gaf ons gehucht toch nog een zekere dorpse allure. Verder was er niks. Een rietdekkersbedrijf en een paar kleine boerderijen. In één daarvan woonde ik.
Ik ging naar de School met den Bijbel in Rottevalle, moest mee naar de Gereformeerde Kerk in Harkema-Opeinde, om boodschappen naar Surhuisterveen, naar de dokter in Oostermeer en om veevoer naar Boelenslaan.
Wij hoorden nergens bij. Niemandsland. Ik ging er toen, vreemd genoeg, niet onder gebukt. Nu zou ons ongetwijfeld een inburgeringcursus worden opgedrongen.
Wat had ik wel? Alles wat ik moest hebben.
Mijn favoriete hangplek was de schuur waar ik, zwaaiend aan touwen die aan de zware binten waren bevestigd, mijn circusnummers opvoerde, het zachte hooi onder mij wetend.
Ik kwam graag bij een zonderling, die iets verderop huisde en waar het niet ongewoon was dat een koe vanuit de stal rustig de onvoorstelbaar rommelige kamer binnenwandelde, nieuwsgierig om zich heen keek, hier en daar wat aan snuffelde, zijn baas en mij straal negerend, om vervolgens zonder ook maar iets om te stoten het vertrek met schommelend achterwerk weer waardig te verlaten.
Ik speelde voor aap, mij aan takken van boom naar boom slingerend.
Ik reed mee bovenop de door onze Belg getrokken hooiwagen, mijn neus tot niezens toe gevuld met kruidige geuren.
Nieuwsgierig luisterde ik mee als 's avonds mijn ouders met de buren het nieuws van de dag bespraken elk aan een kant van de sloot, die onze erven scheidde.
Als soms 's nachts onweer losbarstte, riep vader ons uit bed en zaten wij angstig rillend in de keuken, met het geldkistje midden op tafel. Als de bui was weggedreven, gingen we naar buiten en riepen, opgelucht, in tintelfrisse nachtlucht, iets naar mijn oom die honderd meter verderop woonde.
En de winters! Heerlijke winters! IJs en sneeuw. Winters waarin de warme, schemerige stal een wereld op zich werd met geheimzinnige, donkere hoeken, met steunend vee, met doorwaakte nachten bij een biggend varken en met de eentonige melodie die opklonk als ik met de hand molk en het witte vocht schuimend in de emmer tussen mijn knieën liet bruisen.
Nee, tegen mijn Jachtveld kon geen dorp op.
't Jachtveld was top!

Atze van Wieren


© Iris Van de Casteele.
Eerder verschenen in De Poëzietuin van het weekblad Vrij Maldegem

Home