Het opgeven of niet?

't Lijkt of die wondere papieren tuin steeds meer en meer je gedachten in beslag gaat nemen. Bergen nog te verzetten papier doemen op in je slaap. Je krijgt er zelfs nachtmerries van. Hoe dapper je ook probeert de paadjes niet te laten overwoekeren, toch heb je het gevoel het weldra te zullen moeten opgeven. Na jarenlang je vingers wond te hebben gewroet heb je geen overzicht meer, zelfs geen doel meer, want je vraagt je af voor wie of voor wat je eigenlijk zoveel tijd en energie in zo'n poëzietuin blijft steken.

Misschien ontbreekt het je aan inspiratie? Je bent er al jaren mee bezig. Je begint je steeds minder te ergeren aan wantoestanden of aan ergerlijke mensen. 't Liefst zou je alles op zijn beloop willen laten. Van je verbeten inspanningen draag je de sporen. Er werd naar je gegooid met pollen gras, en je beste jas werd bekogeld met kluiten klei die onder lelijke vlekken kwam te zitten. Wie Ida Gerhardt's gedicht 'Vogelvrij' kent, weet hoe boosaardig mensenkinderen kunnen zijn. Maar je vergeeft en vergeet en je begint opnieuw.

Je klaagde de grootste verschrikkingen aan. Je nam het op voor de zwakke als één tegen allen, en je deed het met zoveel vuur dat je zelf als opgebrand lijkt. Laat andere idealisten zich nu maar ergeren aan 's werelds eeuwige kwalen, en erover schrijven in hun ecobladen. Laat groenere jongens en meiden nu maar opkomen voor de gepeste, de verdrukten, de gefolterde, de ontheemden, de Indianen, de minderheden, en wat weet ik meer. De jongeren moeten zich nu maar inspannen, jij houdt het fijn voor bekeken. En wat poëzie betreft: die kom je niet alleen in geschonden bomen of in klaterend water tegen. Je vindt ze overal en elk moet maar weten wat hij ermee aanvangen wil. Zelf heb ik het mooi voor mekaar. Af en toe een gedicht schrijven, en af en toe een bundel publiceren. De wereld is in orde.

Tot je een papiertje in je brievenbus vindt waarop staat: poëzie dient tot niets. Dan tingelt er meteen één van die fameuze klokjes in je hoofd waarover je het pas kort geleden nog had. Want wat daar geschreven staat raakt je. Het raakt je diep. Zo diep, dat je niet de nodige tijd neemt om je verwarde gedachten te ontwarren. Opeens heb je haast. Zo'n dooddoende snipper kun je niet zomaar in de prullenmand werpen. Je wilt kwijt hetgeen je te zeggen hebt:

Poëzie dient/ om jezelf te verwennen/ om gelezen te worden/
om gezien te worden/ om gehoord te worden/ om verteld te worden/
poëzie dient tot troost/ tot gebed/ tot berouw/ tot beminnen/
tot bezielen/ tot herkennen/ tot prevelen/ tot bezinnen/
zeg ze op/ spreek ze uit/ geef ze weg/ draag ze mee/ doe ermee wat je wil/
draag ze op/ teken er kronkels mee/ schrijf ze neer in het zand/
sla ze aan als noot/ proef haar als brood/ als hostie/ drink haar als wijn/
noem haar steen/ noem haar tondel/ noem haar heuvel/ noem haar dal/
poëzie-dient-tot-niets/ is een zin zonder zin/
is een hol gezegde/ is een vat zonder bodem/ ...
poëzie dient tot alles/ als je écht wil leven/ is ze dauw/ is ze adem/
ze is brood/ ze is zout/ voor wie écht/ écht van het warme leven houdt.

Je hebt je zeg gehad. Laat anderen nu maar dichten, schrijven, verklaren. Jij eet intussen wel een lekker ijsje op het terras waar de fuchsia's staan te gloeien. Ze laten nu en dan een belletje vallen. Drie potten zijn er. Aan je drie beste vrienden denkend raap je de belletjes op. Ze hebben een dieprode kleur met hier en daar een wit vlekje. Misschien werden ze ook aangerand door hun soortgenoten toen ze hogerop wilden. Hogerop naar het licht natuurlijk.

Was het ooit anders bedoeld? De belletjes leg je dicht bij elkaar op het ademende hout van de vensterbank. Dienen ze tot iets?


Iris Van de Casteele, 27 mei 1995
Eerder verschenen in De Poëzietuin van Vrij Maldegem

Home