Zo ontstond het rustoord te Adegem

Bijdrage van Pieter Van Cleemput

Uit: Omtrent Adegem - Catalogus uitgegeven ter gelegenheid van de historische tentoonstelling van 7 tot 11 juli 1978 door het Davidsfonds Adegem. Pagina's 29 tot en met 35. - Artikel hier gepubliceerd met toestemming van Oswald Van Cleemput, zoon van de auteur.


Tot vóór 1863 werden de behoeftige zieken van de gemeente verzorgd in het Sint-Janshospitaal te Brugge. De onkosten van de verpleging hieraan verbonden waren ten laste van de Burgerlijke Godshuizen te Brugge, in de volksmond nu nog immer genoemd "De hospicen van Brugge". Zij bezitten tegenwoordig nog tamelijk veel onroerend goed te Adegem, onder andere de hoeve "Altena" op de wijk Veldekens (hoeve André Van Damme).

Sedert de fusie is de hoeve gelegen op het grondgebied Eeklo. Die toestand van ziekenzorg bestond zó sinds veel jaren ingevolge een recht dat echter niemand kon staven met bewijzen. Alleen wist men op grond van een zekere traditie dat de behoeftige zieken van de gemeenten Maldegem, Adegem en Sint-Laureins nog verzorgd geweest waren in een hospitaal te Maldegem, dat sinds lange tijd verdwenen was.

Het was tijdens die periode een beangstigende toestand voor de behoeftige zieken van Adegem. Denken we maar aan de povere vervoermiddelen waarover men in die tijd kon beschikken met al de noodlottige gevolgen van dien. Die bestaande situatie trok de aandacht van Kanunnik Andries.

Deze bezorgde en toegewijde priester, pastoor te Middelburg (hij is er ook begraven), was niet enkel een voornaam man in zijn tijd, hij was tevens een zeer geleerd persoon. Na het uitroepen van de Belgische onafhankelijkheid (1830) werd hij zelfs volksvertegenwoordiger in het Nationaal Congres. Nadien werd hij ook nog verkozen tot volksvertegenwoordiger en hij heeft veel goed gedaan in onze streek (ook het Leopoldskanaal werd door zijn tussenkomst bij de hogere overheid gegraven).

Zijn voornaamste bekommernis was echter de ziekenzorg. Hij had dikwijls gezien hoe de behoeftige zieken vervoerd werden op het 'hospitaalkarreken'. Het was een licht rijtuig op twee wielen, getrokken door een man die dit karweitje als beroep uitoefende (per aanbesteding kon men mededingen om dat werk te doen).

Kanunnik Andries was in het bezit gekomen van een copy van een testament gedagtekend op de donderdag na Sint-Vincentiusdag van het jaar 1295, waarbij Kanunnik Arnulphus van Maldegem overleden op 2 februari 1296, de voltrekking beval van een hospitaal te Maldegem voor de behoeftige zieken van de gemeente Maldegem en deze uit de omtrek. Dat waren Adegem en Sint-Laureins. Deze laatste behoorden destijds toe aan "Het Ambacht Maldegem" tot aan de Franse Revolutie in 1789.

In dat testament van Kanunnik Arnulphus van Maldegem werd een groot deel van zijn onroerende goederen aan het hospitaal van Maldegem geschonken. Hij schonk zelf aan elk bestuur van "Weldadigheid" van Maldegem, Adegem en Sint-Laureins "vaste" goederen, waarvan de opbrengst uitsluitend moest dienen voor de ziekenzorg.

Het beheer van het hospitaal te Maldegem vertrouwde kanunnik Arnulphus van Maldegem toe aan de broeders van Sint-Jan te Brugge. Door allerlei omstandigheden kwam het hospitaal te Maldegem later in verval en de Sint-Jansheren, die gelast waren met de ziekenzorg, deden de behoeftige zieken van Adegem naar Brugge overbrengen en palmden zelfs de eigendommen in die destijds aan het hospitaal testamentair geschonken waren.

Kanunnik Andries maakte deze unieke vondst bekend aan de betrokken besturen van Weldadigheid en spoorde hen aan hun rechten op te eisen, teneinde meer zorg te kunnen besteden aan deze die het broodnodig hadden en vooral om bepaalde mistoestanden te liquideren.

Gevolg gevend aan de "warme oproep" van kanunnik Andries gingen de betrokken besturen daarop in en de drie gemeenten: Maldegem, Adegem en Sint-Laureins spanden een proces in tegen de Burgerlijke Godshuizen te Brugge, want deze waren de opvolgers van de Broeders van Sint-Jan, voor wat betreft de hospitalisering en verpleging van behoeftige zieken.

Als eisers in het geding voor de gemeente Adegem traden op: Desiré De Weert, Burgemeester, Guido Herrebaut en Pieter-Franciscus Willems Schepenen. Namens het bestuur van "Het Bureel" te Adegem traden op: P. De Reu, Fern. Van Brabant, Ch. Hesters, C. Van de Bossche, en Petrus Van Leeuwe. Hun raadsman was Adv. De Paepe. Deze naam vonden we in een authentieke brief van Kanunnik Andries, gericht aan de toenmalige pastoor te Adegem, met betrekking om meer inlichtingen in verband met vervoer van de zieken, de verblijfkosten, de begrafeniskosten enz.

De verweerders in dit proces waren: De Burgemeester van Brugge, L. Boyaval alsmede Ch. de Penerada; Bern. Coppieters, Louis De Ridder, Eug. Vermeire en L. Van Nieuwenhuyse, leden van de Commissie te Brugge.

Het vonnis waartegen geen beroep werd aangetekend omvatte de volgende markante uitspraak tot overgrote voldoening van Kanunnik Andries en de eisende gemeenteoverheden van Maldegem, Adegem en Sint-Laureins : "DE BURGELIJKE GODSHUIZEN TE BRUGGE verplichten zich aan de DRIE GEMEENTEN Maldegem, Adegem en Sint-Laureins de globale som te betalen van VIERHONDERD VIJFTIEN DUIZEND FRANK" Dit vonnis dateert van 18 mei 1857.

Bij evenredige verdeling onder de voornoemde gemeenten werd een onderling akkoord afgesloten waarbij de gemeente Maldegem een bedrag werd toegekend van 270.000 fr, de gemeente Sint-Laureins ontving 60.000 fr en de gemeente Adegem mocht zich verheugen in de som van 77.000 fr. Omgezet in onze tegenwoordige muntwaarde zouden er wel een paar nulletjes achteraan deze som bijkomen.

De transactie van de vergoeding werd goedgekeurd door het bureel van Weldadigheid in zitting van 21 juli 1863, door de gemeenteraad van Adegem in zitting van 13 mei en 4 augustus 1863, en bij Koninklijk Besluit van 25 september verschenen in het Staatsblad van hetzelfde jaar. Vooraleer alles "in kannen en kruiken was" zijn er wel een zestal jaren verlopen, maar einde goed, alles goed.

Om Eerw. Kanunnik Andries te danken voor deze belangloze menslievende dienst, werd hij door de drie gelukkige gemeenten: Maldegem, Adegem en Sint-Laureins plechtig ontvangen en oprecht gehuldigd.

De feestelijkheid besloot met een banket waarop al de prominenten uit de omtrek uitgenodigd waren. Het aandeel in de kosten van deze plechtigheden bedroeg voor de gemeente Adegem 192,50 fr.

Kanunnik Andries
Kanunnik Andries die ervoor zorgde dat de armen van Adegem
toekwam waarop ze recht hadden, nl. een goede verzorging.
In de rand: "Les Hospices civils d'Adeghem reconnaissants".

Het rustoord te Adegem (huidige naam voor het vroegere hospice) heeft een prachtig portret hangen in een van de ontvangstkamers, als blijvend aandenken van deze grote weldoener aan de gemeente in verband met de noodlijdenden.

Vanaf dat jaar, wij zijn nu in 1863, werden de Adegemse behoeftige zieken niet meer toevertrouwd aan de Burgerlijke Godshuizen te Brugge. De kosteloosheid was immers opgeheven bij het eindigen van het proces.

Daarom werd er door het bestuur van het Weldadigheid onderhandeld met het bestuur van St.-Laureins. Daar was immers reeds een 'Godshuis' gebouwd, dank zij de milde gift van Juffr. Van Damme. Er werd spoedig een akkoord bereikt, en zo werden sedert 1863 de behoeftige zieken verzorgd in het gesticht Sint-Joseph, gevestigd te Sint-Laureins. De onkosten voor verpleging bedroegen 75 centiemen per dag. De inwoning was kosteloos. De eventuele doodsschulden (kisten en begraafkosten) bedroegen tien frank, doch de klederen die de zieken achterlieten bleven eigendom van het gesticht.

De 77.000 fr die het bureel van Weldadigheid had ontvangen werden geplaatst in "Belgische Fondsen" tegen 4,72 % intrest en dit bracht 3465 fr netto op per jaar. Dit was ruim genoeg om de kosten te dekken voor de verpleging van de behoeftige zieken in het gesticht te Sint-Laureins.

In 1864 werd vanwege de toenmalige pastoor van de parochie Adegem, Eerw. Heer Christiaens, die als voorzitter van het Bureel van Weldadigheid fungeerde, aangedrongen om zijn initiatief voor het oprichten van een hospice te Adegem, te steunen. Zijn voorstel kreeg instemming en werd werkelijkheid.

Die pastoor Christiaens kocht op 5 maart 1867, bij een toewijs door het ambt van Notaris Wallyn te Maldegem drie oude huisjes van de familie Vande Velde-Dupont, met een totale oppervlakte van 64a5Oca gelegen in de Sectie H (dus het dorp). Deze grond staat beschreven als volgt: "gelegen tussen het gemeentehuis en de kerk, met ene tamelijke grote diepte vanaf de dorpsstraat...". De koopsom bedroeg 11.500 fr, de notariskosten samen met de registratiekosten daarbij beliepen 749,52 fr.

In 1870 werden dan nog ruilingen gedaan met de gemeente, waarbij 15 aren grond werd afgestaan door het Bureel van Weldadigheid voor het bouwen van een meisjesschool en 54 a 50 ca zaailand wordt ingelijfd bij het reeds aangekochte onroerend goed door Pastoor Christiaens, zodat er voor de leefbaarheid van een hospice, waarbij een boerderij moest komen, nu een betrekkelijk goed geheel was gevormd.

Later zijn er nog ruilingen en verkopen geweest, o.a. aan de familie De Lobel, waar nu nog Roza De Lobel woont. Ook de familie Tuypens woont op oorspronkelijke grond die in het complex van Pastoor Christiaens lag.

Zodra men kon besluiten waar een hospice kon opgericht worden, werden de nodige onderhandelingen gevoerd met de hogere instanties om toelating te verkrijgen tot het bouwen van een plaatselijk hospice. Na veel gevraag en verloop werd de toelating tot het bouwen verkregen, alsook de waarborg voor subsidie. De tekst van de officiële aanbesteding was als volgt:
" In 1872, op maandag 9 december had op het gemeentehuis van Adegem, de opening van de "biedingsbiljetten" plaats voor de aanbesteding van een hospice. Het voltallig bestuur van de burgerlijke Godshuizen was aanwezig:

Guillelmus Ed. Christiaens, voorzitter
Guido Herrebaut
Petrus De Reu
Ferdinand Van Brabant
Eduardus Willems: leden
Louis De Weert: secretaris

De opening, in aanwezigheid van de bieders en een persoon die telkens voor 2000 fr borg stond gaf volgende uitslag:

1. 54.990 fr : Desiré Heysse van Eeklo; Johannes Heysse, lijnwaadfabrikant stond borg.
2. 65.917 fr: Theodore Beernaert uit Gent; borg: August Beernaert.
3. 57.740 fr: Frederick uit Sint-Joris ten Distel; Hilarius De Smidt, meester-timmerman uit Adegem, stond borg.
4. 53.400 fr : Domien Schatteman uit Gentbrugge; Victor Andriessen stond borg. Het laagste bod kwam dus vanwege Domien Schatteman uit Gentbrugge die het werk toegewezen kreeg. (Rijksarchief, nr. 326stuk op zegel).

De plaatselijke commissie droeg bij voor 28.400 fr, het overige bestond uit een toelage vanwege de staat en de provincie, elk voor 16.500 fr en de gemeente Adegem gaf een toelage van 12.000 fr.

Als opzichter van de werken werd de Adegemnaar Petrus De Bruyckere benoemd. Hij ontving hiervoor, mits een volle dag aanwezigheid, één frank.

In 1874 zijn de werken voltooid en om het Godshuis, zo werd het toen genoemd, met als grote indeling: het ziekenhuis en het wezenhuis, van huispersoneel te voorzien onderhandelde de commissie met de abt de Veirman, Directeur van de Zusters van Maria en Jozef te Geraardsbergen.

Deze onderhandeling ging langs het Bisdom, zodat we weten dat in september van het jaar 1874 door de Bisschop van Gent gevraagd werd aan de Zusters van Maria en Jozef te Geraardsbergen om in de parochie Adegem, bij Eecloo, een gesticht te beginnen hebbende voor «doelwit»:

1. Een gemeenteschool in te richten voor meisjes alsmede een kosteloze bewaarschool te openen waarin ook betalende leerlingen mogen opgenomen worden

2. Om er enige maanden nadien een hospice en hospitaal op te richten om er de noodlijdenden en OUDERLINGEN van beide geslacht te verzorgen.

Rustoord van Adegem
Het huidige Rustoord

"Onze Eerwaarde Heer Bestuurder, alsmede de overste met hare raad hebben na vurige gebeden het verzoek van Monseigneur "geern" ingewilligd. De zaak onderzocht hebbende, heeft onze E.H. Bestuurder met de Heren Leden van de gemeenteraad van voornoemde parochie goede en "bestipte" voorwaarden aangegaan, welke zij wederzijds hebben ondertekend".

Op 15 oktober 1874 komen vier zusters van Maria en Jozef uit Geraardsbergen naar Adegem. Zusters Constance is hier de eerste geweest. Aanvankelijk was hun eerste werk, het onderwijs verzorgen. Maar, op 2 november 1875 wordt het hospice en het hospitaal officieel geopend. De ouderlingen van beide geslachten en de zieken die ten koste van gemeente in het gesticht te Sint-Laureins verbleven, werden naar hier overgebracht en werden verzorgd door de zusters.

In 1878 werd een kapel ingericht binnen de muren van het bestaande hospice. Op 24 mei 1878 werd deze plechtig ingewijd door Pastoor Christiaens, bijgestaan door Eerw. Van de Putte, algemeen bestuurder van de Zusters en een onderpastoor van Adegem. De kapel is tot stand gekomen dank zij de vele schenkingen, waaronder wij vooral noteren: Felicita Tijdgadt die het altaar betaald heeft, schepen Jan Baptiste Neyt die de ciborie geschonken heeft en vooral Mej. Esther Willems die door haar ijver en materiële steun alle toebehoorden voor de kapel heeft aangekocht.

In de maand juli 1928 werd de kapel van het hospice "gewasschen, hersteld en rijkelijk versierd door de milddadigheid van de Eerwaarde Heer Leo De Kesel, zoon van de Burgemeester alhier" zo lezen wij in de archieven. Mevrouw De Kesel heeft in 1928 een schone albe geschonken aan de kapel. Op 30 maart 1929 heeft Charles-Louis Verstringe een kazuifel geschonken aan de kapel. In 1929 heeft Eerw. Heer De Kesel twee boeken voor de kapel bezorgd.

Op 17 juni 1931 heeft Martha Vervaet (echtgenote Van de Vliegher Richard en onlangs overleden) een mooie kant aan de kapel geschonken voor de Gedurige Aanbidding.

Na het vernieuwen van het hospice, kort na de tweede wereldoorlog werd de kapel nogmaals verbeterd. Een schilderij voorstellend: "De boodschap" boven het altaar is geschonken door een Adegemse kunstenares: Mej. Maria Tuypens.

Aanvankelijk hadden de Eerwaarde Zusters als jaarwedde voor de overste 400 fr en de werkzusters ontvingen elk 365 fr - dus één frank per dag. De Zusters verkrijgen vanwege de commisie nog een gunst, nl dat zij op kosten van het Bestuur elk jaar éénmaal naar Geraardsbergen mogen gaan voor een "geestelijke" retraite. Deze gunst is wel mede geëvolueerd met de tijd...

Om de nodige fondsen te verzamelen voor de aankoop van meubilair, alsmede voor de investering van de boerderij, werd een aanvraag gericht tot zijn Majesteit de koning om een 'loterij' in te richten in twee provincies. (Oost- en West-Vlaanderen). De commissie beroept zich op art. 7 van de wet van 31 october 1851. Deze actie, heeft de nettosom van 1003 fr opgebracht, wat voor die tijd en voor het doel waarvoor ze ingericht was, een welgekomen hulpmiddel was.

Naast de behoeftige zieken duiken nu van alle kanten behoeftige kostgangers op. Niet enkel Adegemse zieken worden ter verpleging opgenomen, ook sukkelaars van elders die niet meer weten van welk hout pijlen maken vinden onderdak te Adegem. Zij worden wel in de mate van het mogelijke ingelijfd in de dagelijkse karweien op de boerderij, onder leiding van "De boer" van 't hospice.

Dat er al eens bekvechterij bij te pas kwam spreekt van zelf, want het waren niet altijd gemakkelijke mannekens of vrouwtjes die in het hospice aanlandden. Wanneer het er al te bar aan toe ging werd hun de schrik op het lijf gejaagd door "het ijzeren kot". Dat was een kamer binnenhuis, waar men bij grove overtredingen of weerspannigheid tot kalmte kon komen, met als voedsel een snee roggebrood en een "kroes" water.

In 1877 wordt een overeenkomst afgesloten met Serafien De Laere, barbier, voor het scheren van oude en gebrekkige manspersonen, tegen de prijs van 40 fr per jaar als jaarwedde. Het aantal personen kwam niet in aanmerking. 1882 werd de jaarwedde vastgesteld op 50 fr en in 1885 neemt August Buysse dit werk over, eveneens voor een jaarwedde van 50 fr.

Ondertussen wordt de eerste secretaris van de commissie Francies Stoens, vervangen door Louis De Weert, gemeente-geheimschrijver mits een jaarwedde van 180 fr.

Er zijn ook regelmatig dotaties geweest door mensen die in het hospice hun oude dag kwamen slijten of ter verpleging werden opgenomen. In de meeste gevallen werd op voorhand het bezit van die lieden ter beschikking van de commissie gesteld. Zo vinden wij regelmatig dat er "ten titel van gift ter warme hand" schenkingen werden gedaan. Ter warme hand, betekende dus dat bij het binnen treden in het hospice de kostgangers hun persoonlijk bezit reeds "in pand" gaven. De commissie had dus een "duim in de hand" tegenover hun inwoners.

Om echter die giften te kunnen aanvaarden moest er een Koninklijke machtiging zijn. Bij die eerste schenkers vinden wij de naam van Bernard Van Overtvelde, die "ter warme hand" 500 fr schonk. Hij kwam uit Eeklo. Verder nog: Jan Baptiste Van de Keere met 1600 fr en Leonardus Hessens met 1800 fr. Telkens staat er bij vermeld dat zij in ruil voor deze gift hun leven lang in het hospice mogen blijven "ZOO ZIEK, ALS GEZOND ZIJNDE". Eens de gift "Ter warme hand" geschonken was deze niet meer terug vorderbaar.

Dank zij deze dotaties en de uitgeplaatste gelden beschikte de commissie in die tijd over een batig saldo. Het heeft zelfs nog bestaan dat het gemeentebestuur bij de commissie van het bureel van Weldadigheid een lening aanging om de openbare werken, waaronder het kasseien van de baan van het dorp naar de Kruipuit heeft kunnen uitvoeren. De toestanden zijn nu totaal andersom.

Na ruim honderd jaar bestuurd geworden te zijn door de Eerw. Zusters van Geraardsbergen, waarvan een Adegemse Algemene Overste was, namelijk Eerw. Zuster Lutgarde in de wereld Juffr. Judith De Lobel, zijn de Eerw. Zusters van het hospice hier vertrokken bij gebrek aan medezusters. De Adegemse bevolking is hen veel dankbaarheid verschuldigd. De laatste overste was hier Eerw. Zuster Benigna.

De naam "Bureel van Weldagheid" evolueerde tot commissie van Openbare Onderstand (C.O.O.) en deze werd kort geleden weeral gewijzigd in O.C.M.W.: Openbaar Centrum, Maatschappelijk Welzijn. De klassieke naam van Godshuis of hospice is eveneens geschrapt en vervangen door de huidige benaming: "Rustoord".

Home Home   |  Geschiedenis Pagina geschiedenis